Tijdens een Duitse les in HAVO 4, waarbij de tafels in de vorm van twee hoefijzers stonden zat ik in de buitenste rij, achterin het lokaal. Ik leunde achterover met mijn rug tegen de wand, de stoel op de achterste poten balancerend. Het meisje naast me gaf een tik tegen de voorste poten en ik kletterde met veel kabaal tegen de vloer. Ik keek over mijn tafeltje heen en zag langs een rij van ruggen het olijke hoofd van de leraar tevoorschijn piepen. ‘Alles oké daar?', vroeg hij. Ik antwoordde bevestigend en bleef lekker op de vloer zitten gedurende de rest van het lesuur. Waarbij ik wel moet zeggen dat de veroorzaakster van deze toestand zo vriendelijk en behulpzaam was me mijn spullen te overhandigen. Het veroorzaakte wederom de nodige verbaasde blikken en gezichten die boekdelen spraken: ‘O jee, daar heb je hém weer.'
Voor de klassen van HAVO 4 had men dat jaar een zeilweek georganiseerd. Met de trein naar Stavoren en van daaruit met zeilschepen naar Terschelling. Het IJsselmeer was rustig, de Waddenzee iets minder kalm. Het weinige wat ik wist over scheepvaart was eigenlijk alleen maar dat je om zeeziekte te voorkomen gewoon goed moest eten en zo veel mogelijk naar de horizon kijken. Dat niet iedereen dat wist of geloofde of dat het bij sommigen niet werkte bleek toen al gauw de eerste kotsers over de reling hingen of lijkbleek in het kombuis zaten met een emmertje tussen de voeten of knieën geklemd. Het is een uitermate vreemde gewaarwording als je om je heen alleen maar zeewater ziet en je plotseling langs een berk vaart. Aan de dagen tussen aankomst en vertrek heb ik alleen vage herinneringen, waaronder aan een lokale zatlap die achterover kukelde en in zijn val een tafel met lege glazen meenam. De week werd afgesloten met een avondlijke bos- en strandwandeling. Voor die gelegenheid had ik een fles whisky gekocht. Toen de leraar die als begeleider op onze boot zat dat zag zei hij alleen maar: ‘Dat was eigenlijk niet de bedoeling.' Ik liet het bij een glimlach, en hij maakte er verder geen woorden vuil aan. Tijdens die wandeling heb ik een paar slokjes uitgedeeld; bij terugkomst was ze leeg. Ik heb die nacht erg goed geslapen en voelde me de volgende ochtend slechts een beetje ranzig. Bij aanvang van de terugtocht stond er windkracht negen met windvlagen van kracht tien. Enkele schippers durfden het bij nader inzien toch niet aan en keerden kort na vertrek terug naar de haven. Onze schipper had er meer vertrouwen in en voer verder. En, als een Leonard di Caprio avant la lettre stond ik in de wind op de voorplecht te genieten van de deining van de golven en het opspattende water.